Dit verhaal begint wanneer in de negentiende eeuw een als slaaf gekochte Indische jongen in Veendam terechtkomt. Hij krijgt de naam Jan van Oost en is een van de eerste mensen van kleur in de veenstreken. Hij moet per brief de koning verzoeken om te mogen trouwen en wordt de stamvader van een talrijk nageslacht.
De schrijver brengt een bonte verzameling van familieleden uit het veengebied tot leven. Het boek vertelt hoe de welvaart van de streek omslaat in bittere armoede. Er ontstaat een krachtige sociale beweging, waarin socialisten, anarchisten, drankbestrijders en antimilitaristen lange tijd de toon aangeven. Na de Eerste Wereldoorlog mondt de strijd uit in een massale opstand van de veenarbeiders.
Het boek schetst een nieuw en indringend beeld van de veenkoloniën, een beeld dat recht doet aan de durf, de energie en de idealen van vorige generaties. Hun strijd raakte langzamerhand vergeten, maar werd soms ook bewust onder het tapijt geveegd.
Jan Folkerts (1953) is zelf een nazaat van Jan van Oost. Hij studeerde geschiedenis in Groningen en promoveerde in 2023 aan de Vrije Universiteit Amsterdam op het leven en werk van de excentrieke koloniaal Herman Warner Muntinghe. De handelseditie van zijn proefschrift, De koloniale illusie uit 2024, werd geprezen als een fascinerend boek (NRC) en een 'excellente biografie'.